Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Godfried Jonckbloet

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Ga naar: navigatie, zoeken

Jonckbloet, Godefridus Daniël Augustinus (Frits), Jezuïet en letterkundige

  • 28 augustus 1848, Eindhoven

† 5 april 1926, Nijmegen

Geboren als zoon van notaris Egidius Jonckbloet (1818-1880) en Henrica Theresia van Dijck (1810-1875) gaat hij na onderwijs genoten te hebben bij meester Jan de Vlam in 1862 naar het Jezuïetencollege in Sittard. Op 26 september treedt hij in in de orde van de Jezuïeten in het klooster Mariëndaal te Velp bij Grave. Op 8 september 1881 wordt hij priester gewijd en volgt zijn benoeming tot leraar klassieke talen aan het college in Sittard.

Zijn eerste gedichten publiceert hij in de Katholieke Illustratie en Volksalmanak voor Nederlandsche Katholieken. Zijn dichtbundel Vlindertjes. Verspreide en nieuwe gedichten verschijnt in 1881, Uit eigen en vreemde gaarde in 1884 en later volgen Lief en Leed. Verzamelde kleine gedichten (1891) en Refloruit cor meum. Een bundeltje gedichten (1915). Succes heeft hij met De profetieën van Amos' zoon Isaïas, in Nederlandsche verzen vertolkt, met ophelderende aanteekeningen (1888, herdrukt 1889 en 1926).

Zijn verblijf wegens tuberculose te Davos leidt tot het boekje Een winter te Davos (1887). Vervolgens wordt hij redacteur van het blad Studiën te Maastricht, waarvan hij al literair medewerker is en waarvoor hij talloze bijdragen heeft geschreven. In 1890, dan wordt hij lid van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, vertrekt hij ondanks zijn zwakke gezondheid naar Nederlands-Indië, waar hij te Semarang, Soerabaja, Batavia en Malang (als bouwpastoor) verblijft.
Als redacteur van Express en De Javapost, als medewerker van het Bataviaasch Handelsblad en als pastoor is hij er werkzaam. Artikelen worden gebundeld in Uit Nederland en Insulinde. Letterkundige causerieën (1893) en Multatuli (1894). Vanwege een keelziekte keert hij in 1908 naar Europa terug om in Bern geopereerd te worden en verblijft vervolgens wegens zijn longkwaal te Davos en publiceert Davos, voorheen en thans (1910). Vanaf 1909 verblijft hij in Den Haag, waar hij o.a. Jonkvrouwe Anna de Savornin Lohman, in en uit hare werken (1912) publiceert.

In 1918 viert hij zijn gouden professiefeest. Dan wordt het Jonckbloetfonds gesticht om rooms-katholieke Indiërs in Nederland een priesteropleiding te geven. In 1921 verhuist hij naar het Sint-Canisiuscollege in Nijmegen, waar hij overlijdt. Hij is door zijn vriend Jan Toorop in 1919 in een krachtig frontaal portret in zwart krijt vereeuwigd. Op 11 oktober 1929 werd door B&W een straat in de Elzent naar hem vernoemd. De naam werd een jaar lang foutief vermeld, maar werd op 7 januari 1930 definitief vastgesteld als: Jonckbloetlaan, letterkundige. Dat Godefridus Jezuïet en missionaris geweest was, vermeldt het bordje niet. en in Eindhoven is in 1929 een straat naar hem genoemd.

bronnen:
Hoeck, Frans van, Levensbericht van G. D.A. Jonckbloet, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1926, 58-64
Spoorenberg, Jan, Eindhovense biogafieën III. G.D.A. Jonckbloet S.J., in: ’t Gruun Buukske 23 (1994), 36-40


P. Thoben, 2013