Aan de totstandkoming van deze digitale encyclopedie wordt nog gewerkt.

Bronnen van inkomsten in Gestel en Blaarthem

Uit De historische en eigentijdse encyclopedie van Eindhoven
Versie door Jfmhusken (overleg | bijdragen) op 14 feb 2019 om 13:56
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Bronnen van inkomsten in Gestel en Blaarthem tussen 1800 en 1850

Uit Woensel zijn wat gegevens bekend over de “welvaart” in 1811.
Het dorp telde toen 2.653 inwoners, waarvan er 588 (of 688, het is niet helemaal duidelijk welk aantal staat opgegeven) voor de Eindhovense hoeden- en wollen en katoenen-stoffenfabrieken werkten. Daarnaast waren er in Woensel dertig mensen die elk jaar naar elders vertrokken om de kost te verdienen. Een twintigtal wevers reisde naar het Departement van de Twee Nethes (het westelijk deel van Noord-Brabant en het noordelijk deel van de provincie Antwerpen) en de overigen gingen in Holland turf steken en gras maaien. Op 22 maart reisden zij af en op 22 oktober keerden zij weer naar huis terug.

De textielnijverheid was na de landbouw en de veehouderij in alle dorpen de belangrijkste bron van inkomsten. Natuurlijk verdiende niet iedereen de kost in die twee sectoren.
Welke beroepen er nog meer werden uitgeoefend, vinden we in meerdere registers en overzichten. Vanaf de Bataafse tot en met de Franse tijd werd door de overheid een groot aantal gegevens verzameld over de toestand van handel en nijverheid. Na 1814 wordt de hoeveelheid informatie kleiner en na 1830 zelfs schaars.

De bevolkingsregisters bevatten een momentopname van de bevolking per gezin, met een min of meer nauwkeurige opgave van de uitgeoefende beroepen.
In de patentregisters zijn de patentschuldigen opgenomen. Een patent geeft, onder voorwaarden, de bevoegdheid om een bedrijf uit te oefenen In de hier gebruikte patentregisters zijn geen namen genoteerd, maar slechts de beroepen met het aantal beoefenaars. Als iemand twee beroepen uitoefende, die niet verwant waren of waarvan het samengaan geen normale zaak was, dan moest tweemaal het patentrecht worden voldaan. In de patentregisters kunnen de gemeentenaren dus dubbel voorkomen.
Niet iedereen was belastingplichtig. Geestelijken, ambtenaren, renteniers, mensen die in de agrarische sector werkzaam waren en jongens en meisjes beneden de leeftijd van twintig jaar, die voor fabrieken of trafieken werkten behoefden geen belasting te betalen. Ook het huispersoneel was vrijgesteld, terwijl het met de inschrijving van wevers en spinsters wat vreemd gesteld was, omdat het weven en spinnen deel konden uitmaken van het dagelijkse werk op de boerderij. En dat was vrijgesteld van belasting.

Patentregisters 1806-1810
Uit de jaren 1806 tot en met 1810 zijn van Gestel de patentregisters bewaard, er zijn geen bevolkingsregisters van 1810 meer aanwezig. Sommige beroepen kunnen als nevenberoep alleen in het patentregister voorkomen; ook is het mogelijk, dat iemand zich bv. nu eens rademaker en dan weer timmerman noemt.

Patentregister van 1810 gemeente Gestel en Blaarthem

Beroepen Aantallen
fabrieksarbeider 1
fabrikeur in linnen klasse 1* 2
fabrikeur in linnen klasse 2* 6
hoedenmaker 1
koperslager 1
kuipersknecht 1
Beroepen Aantallen
mandenmaker 1
oliemolenaar 1
rademaker 1
roggebroodbakker 2
slachter zonder winkel 1
smid 1
Beroepen Aantallen
strodekkersknecht 1
tapper, herbergier logementhouder 6
timmermansknecht 1
wever 17
winkelier klasse 1* 6
winkelier klasse 2* 2

nb.: *Fabrikeur in linnen klasse 1 heeft 5 tot 12 personen in dienst; fabrikeur klasse 2 minder dan 5 personen.
Winkelier in klasse 1 heeft een jaaromzet kleiner dan ƒ 1.000,-; winkelier klasse 2 heeft een gelijke omzet, maar bezoekt daarvoor ook markten en kermissen.

Vergelijking tussen de patentregisters van 1806 en 1810 leert, dat het aantal ingeschreven dorpelingen sterk gedaald is. De achteruitgang was een gevolg van de vermindering van het aantal wevers en fabrieksarbeiders.
In dezelfde periode nam het aantal patentplichtige beroepen in Gestel toe.

Aantallen wevers en fabrieksarbeiders

jaar Aantallen wevers Aantallen fabrieksarbeiders
1806 21 22
1810 17 1

Omdat veel beroepen slechts door een of twee mensen werd uitgeoefend, gebeurde het dikwijls, dat een beroep weer uit het patentregister van een dorp verdween. Slechts drie beroepen uit de patentregisters komen gedurende de hele periode van 1806 tot en met 1810 in alle dorpen voor, nl. die van tapper, winkelier en linnenfabrikant. Als we wat minder strenge maatstaven aanleggen en alle beroepen tellen die ten minste vier jaar in alle dorpen voorkwamen, dan kunnen we de kermissen en markten bezoekende winkelier, de schoolmeester en de fabrieksarbeider nog aan ons lijstje toevoegen. Ook al is de situatie vermoedelijk wat minder somber geweest dan uit de patentregisters blijkt, dan nog zijn de dorpelingen voor veel zaken op vaklieden uit andere plaatsen aangewezen geweest. Eindhoven zal hiervan wel het meest hebben geprofiteerd.

Opmerkelijk is het grote aantal tappers, herbergiers en logementhouders en ook het aantal winkeliers. De eerste groep was in twee klassen verdeeld. In de zesde klasse vinden we de logementhouders of herbergiers, die vier of vijf kamers in gebruik hadden of als logement hadden ingericht of waar drie dienstboden in betrekking waren. Ook vielen hier de wijn- en biertappers onder. In de zevende klasse vinden we de kleinere logementhouders en de biertappers. In 1809 vond er een opmerkelijke verschuiving plaats van de zevende naar de zesde klasse. Blijkbaar was de controle strenger geworden.
De winkeliers vielen ook in twee klassen uiteen, Er waren kleine zelfstandigen die uitsluitend winkelverkoop hadden, maar er waren er ook die hun waren tevens op markten en kermissen aanboden. Wat zij verkochten vinden we in de registers van Strijp en Stratum vermeld: resp. "allerlei kleinodien" en "koffie en thee en allerlei kleinodien".

"Het grootste gedeelte van de Meiërijsche bewoners vindt zijn bestaan in den land- en akkerbouw. .. Men treft op alle dorpen die handwerken aan, welke in het dagelijks leven het minst gemist kunnen worden als timmerlieden, smeden, metselaars, wevers, kleermakers, schoenmakers, bakkers enz. Men vindt in alle dorpen zeer vele herbergen en winkels."
Als dominee Hanewinkel(1) in zijn mededeling met de landbouw ook de veehouderij heeft bedoeld - en daartoe is alle reden - dan is zijn beschrijving - zoals we de vorige keer zagen - in alle opzichten van toepassing op de dorpen van Groot-Eindhoven. Wel zouden voor Gestel nog de linnenfabrikeurs kunnen worden vermeld.

Als we de kleine ambachtelijke bedrijven zoals die van timmerlieden, smeden enz. buiten beschouwing laten, waren er in de dorpen weinig niet-agrarische bedrijven. In Gestel en Blaarthem woonden acht linnenfabrikeurs, waarvan er twee tussen de vijf en twaalf mensen in vaste dienst hadden; de overigen hadden kleinere bedrijven. De Genneper watermolen was als olie- en graanmolen ingericht.

De Franse periode tot 1814
In 1810 werd het koninkrijk Holland door het Franse keizerrijk geannexeerd. Het bedrijfsleven ging enkele sombere jaren tegemoet. Nadat Napoleon was verslagen trad een herstel in. Ook in de dorpen van Groot-Eindhoven heerste bij de schaarse zakenlieden een optimisme.

Staat van fabrieken en trafieken in Noord Brabant uit 1816
Dat optimisme blijkt duidelijk uit cijfers uit 1816 in de Staat van fabrieken en trafieken in Noord Brabant.(2)
Gestel telde zeven linnenfabrieken en een korenmolen, waarmee ongetwijfeld de Gennepermolen bedoeld zal zijn geweest.

Staat van fabrieken en trafieken in Noord Brabant betreffende Gestel en Blaarthem:

aantal soort bedrijf Aantal fabrieksarbeiders
7 linnen-damastfabrieken 225
1 korenmolen 1

De aantallen werknemers geven bij de textielnijverheid alleen een aanwijzing voor de grootte van de bedrijven en dus niet voor het belang ervan voor de plaatselijke werkgelegenheid. De meeste spinsters en wevers waren immers niet in een fabrieksgebouw werkzaam, maar thuis. En dat was lang niet altijd in de woonplaats van de fabrikeur. Dit betekent niet, dat er minder dorpelingen in de textielnijverheid werkzaam waren dan de cijfers aangeven, want de inwoners van Groot-Eindhoven zijn weer voor een deel meegeteld bij de werknemers van de bedrijven in Helmond, Boxtel en Eindhoven. De Eindhovense industrie was in dubbel opzicht belangrijk, want niet alleen kon de stad opdrachten verschaffen aan thuiswerkers, door de korte afstand tot de -dorpen bood ze ook werk aan fabrieksarbeiders.

Classificatietabellen van het kadaster 1831
Belangrijke en nog slechts betrekkelijk weinig geraadpleegde bronnen zijn de stukken die zijn opgemaakt bij de invoering van het kadaster en dan met name de tabel nr. 5 van de classificatie der grondeigendommen. In Gestel, werd die tabel gemaakt in 1831. Het stuk geeft onder meer een overzicht van de aanwezige bedrijfsgebouwen en de gebruikte aandrijfkracht.
In Gestel was de belangrijkste tak van nijverheid de "landbouw gepaard met veehouderij". Daarna volgden het weven van linnen, wollen en katoenen stoffen en het werken in de Eindhovense fabrieken. Aan de steenweg in de buurt van de stad woonden in Gestel enkele tappers "welke geheel of ten deele derzelver onderhoud daarin vonden". Ook was er hier nog een "gering vertier der voortbrengselen van eerste noodwendigheid die tot het gebruik der inwoners dienden". Voor Gestel werd daaraan toegevoegd, dat de meeste mensen in Eindhoven gingen winkelen. Tenslotte was er nog wat handel in de voortbrengselen van de grond en van het vee.
Deze tabel nr. 5 geeft slechts een schets. Natuurlijk woonden er in de dorpen nog steeds ambachtslieden als timmerlieden, metselaars enz. Vergeleken bij 1816 was er in feite weinig veranderd.
In Gestel was de Genneper watermolen als koren- en oliemolen in gebruik. Dit was ook al zo in 1810. Nieuw waren hier de rosoliemolen van E. van Gennip in Blaarthem en een tweetal kleine leerlooierijen. De rosmolen werd door twee paarden aangedreven. Alles bijeen zullen deze bedrijfjes ten hoogte aan een tiental mensen werk hebben kunnen verschaffen. De textielindustrie was voor de werkgelegenheid veel belangrijker, maar in tabel nr. 5 worden geen bedrijfsgebouwen vermeld. Blijkbaar waren die zo klein, dat ze door de taxateurs niet als zodanig zijn herkend.

Tot 1850
Uit de beschikbare bronnen blijkt, dat ook in de volgende twintig jaar nauwelijks iets wezenlijks in het werkgelegenheidspatroon veranderde. In de gemeenteverslagen van Gestel over 1851 wordt de aanwezigheid van ambachts- en fabrieksnijverheid ontkend. Daarnaast noemt het verslag in andere gemeenten enkele linnenreders, maar die zullen er in Gestel ook wel zijn geweest.

De conclusie kan niet anders luiden, dan dat de bedrijven buiten de textielsector weinig voor de werkgelegenheid hebben betekend, terwijl het belang van de textielindustrie door het verschijnsel van de huisnijverheid moeilijk in cijfers is uit te drukken.

noten:
1. Geschied- en aardrijkskundige beschrijving der stad en meierij van 's-Hertogenbosch, Nijmegen 1803, p.35.
2. Provinciaal Archief Noord Babant BHIC, handschriften Prov. Gen., nr. 88, Staat van fabrieken en trafieken in Noord Brabant.

Jan Spoorenberg
in: 't Gruun Buukske 1981